Bij het boekwinkeltje om de hoek stond ik voor de etalage te kijken in de dozen van vijftig eurocent per boek. Heel af en toe vis ik daar wel eens een grappig boekje uit voor in de trein.
Deze keer werd het speuren bemoeilijkt door een geparkeerde fiets, maar de eigenaar van het rijwiel kwam al uit de winkel gelopen. Een gedrongen man in een grijs jack met een fu-manchu snor en een TellSell zonnebril met gele glazen. Hij staarde mij aan met grote ogen:“Interessant, he? ”
Ik dacht even dat hij dacht dat ik zijn fiets wilde jatten, dus stamelde ik: “Ehhh…nou, nee hoor…ik heb zelf al een fie…”

“Nee, die boeke! Die boeke die hij hep! Jonge, alles sleep ik hier weg. Zie je Toetankaaaahmon daar? Hep ik ook. Maar in het Engels, he? Plaaaaate, jonge, schitterend! Hebbe ze allemaal geroofd, die gaste! Zijn ze ziek geworde, vloek van de farao, jahaaa! Komt door de atmosfeer en de rare insecte in die schatkamer. Nou nog, he? En de ouwe Grieke, man, hep ik ook, schiiiitterend! Die kende mekaar, he? Die ouwe Grieke en die farao’s. Was dikke mik, man!
En Ur! Ken je Ur? Uit de Bijbel, is bekend. Ur! De Galdeeje van Ur. Hep ik ook. Ligt nou in Irak, ken je nagaan! Mooi. Mooi! Instrumente, juwele, alles van goud en edelstene! Niet te betale! Mooi gemaakt! De mense hadden toen nog geen haast, zuiver vakmanschap. En ook weer kruislings verbande met die Grieke!

Ik had mijn geschiedenisles wel weer gehad voor vandaag en bovendien spetterde hij zijn enthousiaste speeksel steeds dichter in de richting van mijn gezicht.
Ik zei: “Ja, prachtig allemaal, ik ga even binnen kijken of er nog wat ligt.”

“Neeeeeeee, vandaag niet, jonge. Ik hep al gekeke, alles is al weg. Heppie dat boek over Atlantis?”
Ik ben weer eens niet bot genoeg en zucht: ”Nee, maar…” “Ik hep er wel drie. Drie! Atlantis, is bekend, lag bij Griekenland, maar nou hebbe ze bij Zuid Amerika hele schepe met zeile en alles gevonde, jahaaa!
En in dat derde boek zegge ze dat het toch in de Atlantische Oceaan moet ligge, da’s logisch, met zo’n naam, he? Zijn die ouwe Grieke ook geweest! Met een boot! Ik zeg het je, het hep allemaal met elkaar te make!”

Hij kijkt mij triomfantelijk en samenzweerderig tegelijk aan en veegt de voorraad spuug, die hij net van plan was naar mijn neus te lanceren, af aan zijn mouw. “En dan de Inca’s! Die ken je ook? Nou…”
Nu is het echt genoeg geweest. “Ik kijk toch maar even binnen, wie weet!’, zeg ik en stap kordaat naar binnen.

“Nee, natuurlijk jonge, maar ik zeg het je, vandaag heppie niks. Tot kijk, he?” En hij fietst waggelend weg. Van achter een hoge stapel boeken achter in de zaak gluurt de eigenaar van de winkel voorzichtig om de hoek: “Is ie eindelijk weg?”


txt © Ingmar van der Hoek