Het is een snikhete maandagmiddag. De trein kreunt en puft met de
gebruikelijke mooiweers-vertraging Utrecht Centraal binnen. Zij stappen in. Hij
draagt een door haar uitgezochte, in zijn ogen veel te fleurige, capribroek en
twee hele zware koffers. Om zijn gezellig meedeinende buik heeft hij een
buideltje gegespt. Zijn blik staat op onweer. Zij oogt een stuk ouder dan hij
en draagt, naast haar aanzienlijke hoeveelheid overtollige kilo’s, slechts een
piepklein handtasje.
Als een volleerd acrobaat uit het Chinese Staatscircus
wankelt en wrikt hij de koffers in het bagagerek, met de rode kop en
uitpuilende ogen van een olympisch gewichtsheffer.
Zij kruipt onder hem door, ploft op de zitplaats bij het raam en zegt: “Nou, dit is
heel fatsoenlijk. Mooi plekkie!” Hij antwoordt niet, zegt waarschijnlijk al 35
jaar alleen het meest noodzakelijke tegen haar, en wurmt zich naast haar
immense torso en gigantische bovenbenen. “Ja toch?”, zo probeert zij opnieuw
tervergeefs om contact te leggen. Hij zegt niets en staart naar zijn buidel.
“Hebben wij het ook eens netjes, dat hebben we toch wel verdiend?” Hij zwijgt
en houdt de blik gericht op het nylon opbergvak dat op zijn schoot rust. “Ha,
lekker, vakantie!” schijnjubelt zij routineus. De trein trekt op en vervolgt
zijn weg naar het nog zonniger Zuiden. Hij tuurt onafgebroken naar zijn buik en
komt plotseling in actie.
Met een ruk ritst hij zijn tasje open, begint snel te
graaien, staat op, rukt de koffers uit het rek die half op hem en half op een medepassagier
vallen en is doof voor de verwensingen van de getroffene. Als een uitsmijter
die twee dronken lastpakken de kroeg uitzet, sleept hij de koffers zonder
pardon naar het balkon. Zij staat onthutst op en zegt: “Henk! Wat doe je nu?
Die koffer kwam op die meneer, doe nou eens rustig!” Henk heeft inmiddels de
koffers geopend en gooit de spullen in het rond met een verbeten
gezichtsuitdrukking.
Twee enorme BH’s, drie (in zijn ogen veel te fleurige)
capribroeken, en vier puzzelboeken wapperen feestelijk op de grond. Een vijftal
witte sokken-bolletjes stuitert als losgebroken lottoballen richting de
klapstoeltjes en de WC. Hij gaat in stilte en onverstoorbaar verder met het
woest deconstrueren van de door haar zo kunstig ingepakte inhoud: zonnenbrand, adressenboekje,
flesjes met pillen, pleisters, en een exemplaar van wat-en-hoe-in-het-Frans
vliegen door de lucht.
Zij strompelt op hem af, schudt wild zijn schouders heen en
weer en gilt: “Henk! Wat is dit? Ieder jaar hetzelfde gesodemieter, wat is het
nu weer?” Henk kijkt op, boort met zijn blik dwars door haar gegeneerde
boosheid en zegt met een door ingehouden woede afgeknepen stem: “Zonnenbril.”
De coupé begint te gniffelen. Zij zucht diep en zegt
gelaten: “Boven op je kop, Henk… Pak de spullen weer in en kom netjes naast me
zitten.”
txt © Ingmar van der Hoek
|