Het is een doordeweekse ochtend op het station. Mijn trein heeft 10 minuten vertraging (ook al noemt de NS dat sinds een half jaar niet meer zo: "De trein komt over 10 minuten binnen") en ik besluit wat tijdschriften door te bladeren bij de AKO. Ik sta te twijfelen tussen Nummer 14 en Mojo, opeens hoor ik een langgerekte toetertoon achter mij: "Aaaaaaaaaaaaaah, xcuseme saaaaaah?"

Ik sla er verder geen acht op en dub verder: Lodown of Kicker? "Aaaaaaaaaah, xcuuuuuuseme?" Er wordt zachtjes aan mijn mouw getrokken en ik draai mij om. Daar staat een Japanse heer van ongeveer anderhalve meter lang, gekleed in een donkerblauw polyester pak met een wit polyester overhemd aan, een brede gestreepte stropdas om de nek, veel te grote instappers en een imitatie polyester Burberry regenjas. Hij heeft een uitdrukkingsloos gezicht, zijn ogen liggen diep verscholen achter een reusachtige bril (montuur a la Ad Visser) en hij heeft zijn haren van de ene kant naar de andere kant over zijn kale schedel geplakt. Zijn kleine rechterwijsvinger wijst naar boven, er zit ongeveer twee meter tussen zijn vingertop en de tijdschriften op de bovenste plank van het schap. "Could you?"

Zonder mij terug te draaien naar de tijdschriften wijs ik naar boven en ga met mijn vinger naar links. Ik voel mij als Ria Bremer bij Stuif es in: de balk met ingezonden werkstukken van schoolklassen en een brullende zaal van opgewonden tienjarigen die "Neeeeeee, naar reeeeeeechts! Pak die Grote Smuuuuuuuurfff!" schreeuwen. De Japanner is iets subtieler; hij schudt zijn hoofd en wijst naar rechts.


0


Nu pas kijk ik omhoog en zie dat hij mij van de door mij voor hem voorspelde blote tienermeisjes richting de herenliefde dirigeert. Ria Bremer pakte altijd, geheel tegen de zin van de zaal in, twee saaie brieven van de balk en ik pak dus de Gaykrant. Hij schudt resoluut het hoofd en wijst naar een geplastificeerd magazine een centimeter of tien naar rechts. Op de omslag staat een bleke jongeman met een beetje Russische kop (ingevallen treurbekkie met fletsblauwe, lege ogen) en een vrolijk matrozenpetje op. Op dit hoofddeksel na is hij geheel naakt. Zijn lid is afgeplakt, maar het ding heeft zo'n reusachtig formaat dat het topje achter de gele sticker weer vrolijk opduikt. Met een mengeling van afgrijzen en verbazing pak ik met duim en wijsvinger het verpakte blaadje op en beweeg mijn arm als een hijskraan richting de knikkende salary-man.

"Sssankyouuuuu, sssaaaaahhh, hebbbba nicedayyyyy" zegt hij zonder een spoor van emotie, pakt het blad met twee handen aan, draait zich om op zijn polyester hakken en beent naar de kassa, zijn grappige kleine rolkoffertje achter zich aan ratelend. Met een open mond vol tanden staar ik hem na. Het is kwart over acht 's ochtends. Hebbanicedayy.



txt Ingmar van der Hoek