Een jaar of vijftien geleden overkwam mij het meest griezelige wat ik tot nu toe heb meegemaakt. Ik liep om een uur of twee s'nachts over de Nieuwezijds richting Centraal Station, toen vanuit een steeg een opmerkelijk duo tevoorschijn sprong. Het waren een dame en een heer, gekleed in identieke, zelfgebatikte jurken, lopend op gloednieuwe Birkenstock's en allebei voorzien van een enorme bos haar, tot een dikke paardenstaart gebonden met een elastiekje. Alles zag er brandschoon uit en het geheel was net over de top, alsof ze verkleed als hippie op weg waren naar een gekostumeerd bal.


Degene met de baard had een grote fotocamera om zijn nek bungelen en een overvol heuptasje waarvan de klittenbandsluiting zijn beste tijd had gehad. Tussen de uitgelubberde haakjes en oogjes van de sluiting door zag je rode, blauwe en bruine bankbiljetten. Het exemplaar met de borsten greep mijn rechterarm en klemde die angstig beet, terwijl ze met grote paniekogen achterom bleef kijken.
De baard greep op dezelfde wijze mijn linkerarm beet en vroeg met bevende stem: "Are you walking to the station by any chance?"
Ik knikte, en trok een wenkbrauw op ten teken van: "waarom pakken jullie mij beet?"
De baard, die ook zeer angstig achteromkeek, zei: "Sorry to bother you, but we have been followed by two guys for the last twenty minutes! One's got a huge knive and the other one a baseball bat! Please help us!"

Ik keek achterom en zag niks of niemand. Het duo rook nogal sterk naar dat beroemde exportproduct van ons land (en dan bedoel ik geen volvette Edammers of die fallustulpen uit de Koikenhooooof), dus dacht ik : "Natuurlijk, jongens, iets teveel door elkaar heen zitten paffen en we zien meteen aliens met messen…"
"Please, please, please take us to the station…" smeekte de bos haar aan mijn rechterarm. Ik knikte opnieuw en, alsof ik met twee dreinende kleuters langs honderden etalages van speelgoedwinkels moest lopen, sleepte ik het duo met mij mee.
Ik begin een vrolijk babbelgesprekje met mijn kleuters: is het de eerste keer in onze hoofdstad? Jajajajaja. Waar komen jullie toch vandaan? Waar de smurfenhuisjes staan. Australië in ieder geval. Wat vinden jullie van de stad? Hartstikke mooi, maar ja, die enge mensen met die messen… Ik kijk nog eens om en zie niks.

Opeens hoor ik een stem met een Surinaamse tongval achter mij schreeuwen: Heeee! Wegweseh! Se sijn van onz, weet je! Wij sitte al vanaf het Spui achter se an! Oprotteh! Wegweseh!
Ik draai mij om. Een Surinaamse jongen met een waanzinnig kapmes in zijn hand komt op mij afgerend. Achter hem loopt een tweede heerschap met een Easton 33 inch alu-knuppel.
Mijn twee wielklemmen knijpen mijn biceps tot moes en voegen nog wat gelige batikvlekken toe aan hun bonte jurken.
Het mes loopt nu naast mij en ziet dat ik drie koppen langer ben dan hij. Hij neemt mij eens rustig op en zegt: "Heeee, anders doen we sameh! Jij de camera en wij de senteh! Kom op man, we trekkeh se soooo de steeg in!".
Terwijl het zweet in stromen over mijn rug gutst zeg ik koeltjes: "Ah nee joh…jullie zitten er al zo lang achter aan… Loon naar werken zeg ik altijd! Ze zijn van jullie hoor… Ik hoef niets, ik heb al genoeg"
Terwijl ik dit laatste zeg wil ik mijzelf voor mijn kop slaan, maar daar hangt een krijsende hippie aan en met de tanden op elkaar wacht ik op de eerste haal van het mes.

"Ah, kom op man! Met se drieën man!" "Neeneeneenee, joh! Echt, als ze me nou eens zouden loslaten… Ik houd mijn bek wel, hoor! Ik bedoel, de volgende keer dan delen we wel en zo, maar ik heb nu geen tijd. Moet mijn trein halen!"
En ik stap nog sneller door. De lichtjes van het station komen in zicht en de knuppel roept: "Dit wordt te link, teveel polisie, man!" en het mes en de knuppel hollen weg richting Nieuwedijk. Huilend beginnen Elly en Rikkert mij te omhelzen. "You saved our lives, man!"

Jaja. Nog geen minuut daarvoor had ik hun willen afschudden als de oude huid van een slang en hun willen overleveren aan de hongerige wolven.
Ik besluit dit maar niet te vertellen en stop hen in een taxi. Ze moeten naar het Marriot (dat is toch geen hotel voor echte hippies denk ik nog) en ik vertel dat aan de chauffeur. Terwijl het duo mij alle lofprijzingen van de wereld toewerpt en belooft dat ik een standbeeld in hartje Brisbane ga krijgen rijden ze weg.

Ik loop naar mijn trein (ik heb flink doorgestapt, want hij staat er nog), ga zitten tegenover een wat oudere dame en bedenk mij dat ik nu bloedend in een steeg had kunnen liggen met twee halfdode hippies over mij heen. Het zweet breekt mij aan alle kanten uit, en ik begin oncontroleerbaar te trillen. De dame kijkt vol afgrijzen naar mij, sist: "Bah, vieze junk!" en beent weg naar een ander gedeelte van de trein.

Dus mocht u ooit in Brisbane een standbeeld zien van een lange, dikke vent met kort haar, een brede bek en een grote gok die met zijn armen gespreid staat, op een marmeren sokkel met daarop in gouden letters EL SALVADOR, dan weet u hoe dat komt.


txt © Ingmar van der Hoek