Op een doodnormale dinsdagmorgen loop ik in de centrale hal
van het station. Links en rechts van mij schieten gehaaste forensen voorbij,
met de gezichten op drukdrukdruk, lekker belangrijk, daar gaan we weer of
totaal emotieloos. Mijn trein heeft vertraging, dus ga ik even bladen bekijken
bij de Bruna. Dan zie ik hem.
Hij is klein van stuk, heeft (in Opsporing Gezocht-jargon)
een gezet postuur en een donkere huidskleur en draagt een plastic politiehelm
(model Bobby), een cowboyvest met franjes en grote gele gympen. Tevreden
glimmend kijkt hij om zich heen terwijl hij twee boeken onder zijn arm houdt:
De Encyclopedie Voor De Jeugd en De Geschiedenis Van De Oranjes. Aan de
plakkertjes op de rug van de boeken valt te zien dat hij deze werken uit een
bibliotheek heeft geleend.
Hij stapt op voorbijschietende forensen af en zegt
enthousiast met Surinaamse tongval: “Heeft u een vraag, ik weet het
antwoord!” Norse of lege blikken worden
hem toegeworpen en niemand staat stil. Dan ziet hij mij. Hij loopt recht op mij
af en herhaalt zijn mededeling. In zijn ogen woedt een strijd tussen
kinderlijke trots en voortschrijdende waanzin, maar zijn voorkomen is uiterst
vriendelijk en niet agressief.
“Jazeker!”, zeg ik, “Wat is de hoofdstad van Brazilië ook al
weer?” Breed grijnzend pakt hij de Encyclopedie Voor De Jeugd, bladert naar het
atlas-gedeelte en wijst zonder aarzelen Brasilia aan, de spookstad in de
jungle. “ Dit is de hoofdstad van Brazilië. Ik kan het weten want ik kom hier
vandaan, en dat is vlakbij!”, en zijn wijsvinger met vuile, ongeknipte nagel
schuift richting Suriname.
Helemaal blij met deze informatie wil ik mijn portemonnee
pakken om hem te belonen voor het goede antwoord. Hooghartig kijkt hij mij aan
van onder zijn te kleine speelgoedhelm met fantasie-embleem: “Neeneenee,
meneer, dat is niet de bedoeling. Kennis kost niets!” En hij stapt vastberaden
op de volgende voorbijganger af, klaar om zijn onmetelijke alwetendheid met
deze persoon te delen.
txt © Ingmar van der Hoek
|